Het echtpaar Averesch met hun kinderen.
Het echtpaar Averesch met hun kinderen. (Foto: )

De Kléane Koarke 123: 'Wat hebben we een goed leven gehad'

  Historie

Bij het ouder worden zoekt Bartus steeds vaker de eenzaamheid op als hij het moeilijk heeft. Als dochter Marie haar vader op zeker moment kwijt is en naar hem op zoek gaat, vindt ze hem op z'n knieën op de begraafplaats. Op haar vraag wat hij daar doet, antwoordt hij: 'Ik heb de Heere voor jullie gevraagd.'

Een andere keer is hij een hele middag weg. Als hij dan tegen etenstijd thuiskomt en hem gevraagd wordt waar hij geweest is, antwoordt hij: 'Voorbij de schaapskooi op de Borkeld Daar heb ik jullie aan de troon der genade neergelegd en heb ik mogen bidden voor ons en ons nageslacht. Ik had de Heere zoveel te vragen, dat ik dat thuis niet kon.'

Een zaak die hem in zijn ouderdom ook bezighoudt, is zijn angst om dement te worden. Regelmatig vraagt hij dan ook aan Berendina: 'Zeg ik niets geks? Bid ik wel normaal?' In 1967, Bartus is dan inmiddels 75 jaar, voelt hij dat zijn ambtelijk werk ten einde loopt. Toch durft hij niet zomaar te bedanken. Hij weet immers hoe hij door de Heere in het ambt is gezet. Hij wil nu ook van Godswege weten wanneer hij moet stoppen. Berendina en de kinderen zijn er niet gerust op. Meermalen zijn ze bang dat hem iets zal overkomen.

Op donderdag 23 november 1967 komt de oude 'Hendrine van Duusker' (Hendrina Egbertsen, de oude buurvrouw uit de Bleekstraat) op bezoek. Als zij vertrokken is, trekt Bartus de gewichten van de klok op en gaan ze naar bed. Die nacht voelt hij zich niet goed worden en wordt de dokter gebeld. Ook bedankt hij zijn vrouw: 'Wat hebben we toch een goed leven met elkaar gehad; ons huwelijk is in de goedkeuring Gods geweest.'Nog voordat dokter Oosthoek is gearriveerd, blaast hij de laatste adem uit. Als de jonge huisarts even later bij het ontzielde lichaam van Bartus staat, zegt hij: 'Ik lag en sliep gerust, van 's Heeren trouw bewust.' Voor Gerrit Jan is het overlijden van zijn vader een dubbele slag. Vrijdags stelt hij de tekst voor de rouwbrief van zijn vader op. Met vrijmoedigheid wordt daar 2 Timótheüs 4:7-8 op vermeld: 'Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen die Zijn verschijning liefgehad hebben.'

Als Gerrit Jan 's zaterdagsavonds iets over de zachtmoedigheid van Mozes leest, merkt hij op: 'Wat was vader toch zachtmoedig.' Als ouderling J. Knol ('Jan van de Knolle') en ds. H. Ligtenberg jr. ('Stoet'n mans') samen met student L. Blok die avond op rouwbezoek komen en laatstgenoemde vraagt of hij zijn vader wel kan missen, antwoordt Gerrit Jan: 'Ik kan hem niet missen.' Ook merkt hij op: 'Al had ik maar een tiende deel van zijn geest.'

Nog diezelfde avond zakt Gerrit Jans mond scheef en wordt de dokter geroepen. 's Nachts is hij erg onrustig en geeft hij zijn portemonnee en horloge aan zijn zussen. Ook zegt hij tegen hen: 'De Heere is nu ook voor mij opgestaan.' Kort daarop wordt hij met een ambulance naar het ziekenhuis in Almelo gebracht. Enkele uren later overlijdt hij daar aan de gevolgen van een hersenbloeding, op de leeftijd van 39 jaar. Hij is daarmee net zou oud geworden als zijn naamgever.

Meer berichten