Foto: Robert van Kralingen

De Kléane Koarke 121: 'Ik moet weg, want Bats is in nood'

  Historie

door Robert van Kralingen

Een van de medebroeders van Bartus is ouderling H. Seppenwoolde, in de volksmond beter bekend als 'Klôks Hèèndrik'. Als hij 's zondags een keer wordt gemist, is dat voor Bartus en de ouderlingen B.J. Nieuwenhuis en H. Haase ('Mans van n' Haazen') aanleiding hem de volgende dag een bezoek te brengen.

Terwijl ze daar bij elkaar zitten en vertellen hoe ze het onder de prediking hebben gehad, komt ds. M. Blok binnen. Hij is terneergeslagen. Als de mannen voorzichtig informeren, krijgen ze te horen 'dat hij er gisteren niks van kon maken, dat het echt helemaal niets was'. Omdat de aanwezigen het anders hebben ervaren, vertellen ze op bewogen wijze dat ze juist zo goed hebben kunnen kerken; dat ze hebben ervaren dat de Heere in het midden was. Als ds. Blok dit hoort, breken de banden en roept hij uit: 'Hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.'

Als Bartus op huisbezoek gaat, is het vaak laat voordat hij huiswaarts keert. Omdat er een grote behoefte aan geestelijk onderwijs bestaat, wordt de klok vaak vergeten. Daarnaast zijn er leden die de klok bewust een aantal minuten achteruit zetten. Als het een keer één uur 's nachts is en hij nog niet thuis is, raakt Berendina ongerust en stuurt ze Gerrit Jan op onderzoek uit. Als hij bij de voordeur staat en in de verte een lichtpuntje gewaar wordt, roept hij: 'Va, bin ie dàt?' Waarop het klinkt: 'Ja kind, ik ben het; we waren de tijd vergeten.'

In de consistoriekamer wordt er ook vaak van hart tot hart uit het geestelijke leven gesproken. Daarbij komt, dat de broeders veelal uit de diepte opkomen en onder elkaar mogen staan. Door het werk des Heeren zijn ze aan elkaar verbonden, zo ook Bartus. Zo vertelt hij eens met verwondering dat hij een oog op de Middelaar heeft mogen slaan. Bartus is anderen wel eens tot onderwijs. Zo merkt hij tegen een pas bevestigde diaken op: 'De Heere kan alleen maar afgekeurde soldaten gebruiken.' Een andere uitspraak: 'Een dominee moet niet verder spreken dan hij is geleid.'

Dat de broeders elkaar ook op het hart dragen, blijkt wel op een zaterdag als ouderling H. Haase in zijn tuin aan het werk is. Plotseling zet hij zijn schoffel neer en zegt hij tegen zijn zoon: 'Ik moet weg, want Bats is in nood.' De Heere heeft hem bekend gemaakt dat Bartus in nood verkeert. Dit blijkt ook zo te zijn en als Haase weer thuiskomt, merkt hij op: 'Ik was nog net op tijd.' Wat het was, vertelt hij er niet bij. Als op 20 juli 1964 bekend wordt dat student A. Bregman het beroep naar Rijssen heeft aangenomen en ouderling J.C. Meeuse dit komt vertellen, antwoordt Bartus: 'Ik wist het al; dat heeft de Heere me bekendgemaakt.'

Als Bartus moet voorgaan, doet hij dat op zijn eigen manier. Zo vraagt hij heel vaak 'of we maar met verschuldigde eerbied en aandacht mogen luisteren'. Ooit gebeurt het dat hij bij het opdragen van een langdurig zieke opmerkt: 'Krakende wagens lopen het langst.' Zijn eenvoud vormt echter voor niemand een belemmering om op te komen.

Na geruime tijd in de pastorie aan de Bleekstraat hebben gewoond, besluiten Gerrit Jan en zijn zusters een perceel grond aan de Blinde Banisweg te kopen. Samen met enkele familieleden bouwen ze daar vier woningen.

Meer berichten




Shopbox