Duitse soldaten tijdens de bezettingstijd in Rijssen. Illustratie uit het boekje 'Zingen in de kelder.'
Duitse soldaten tijdens de bezettingstijd in Rijssen. Illustratie uit het boekje 'Zingen in de kelder.' (Foto: Bron: boekje Zingen in de kelder)

De Kléane Koarke 119: 'Ons land heeft het verzondigd'

  Historie

door Robert van Kralingen

Bartus houdt er wel van om af en toe een sigaartje te roken. Ondanks de armoede die ze soms kennen, kan hij daar erg van genieten. Maar ook dat wordt bestreden. Terwijl hij in de tuin loopt, wordt hem ingefluisterd: 'Nu je je geld verrookt, denk je toch niet dat je ooit nog bekeerd kunt worden? Je stort je gezin in de armoede, denk toch eens aan je kinderen!' Resoluut klinkt het in de tuin: 'Als dat zo is, rook ik nooit meer!' En direct trapt hij zijn sigaar uit. Vanaf dat moment heeft hij nooit meer gerookt. Als hem later toch nog wel eens een sigaar wordt aangeboden, aanvaardt hij die, maar zegt erbij: 'Hij is niet voor mezelf, maar voor onze Gerrit Jan; die rookt zo gaarne.'

Op zekere dag maakt de Heere hem bekend dat hij zijn enige koe moet verkopen. Zonder enige tegenkanting volgt hij dit besluit op. Omdat de koe er goed uitziet, heeft hij haar al spoedig tegen een goede prijs verkocht. Het dier wordt die dag nog verschillende keren doorverkocht. Weken later blijkt ze TBC te hebben en feitelijk niets meer waard te zijn. Omdat Bartus niet als laatste verkoper te boek staat, kan de eigenaar ook niets op hem verhalen.

In 1937 overlijden kort na elkaar twee medeambtsbroeders: de ouderlingen Arend Baan en Arend van de Noort. Een jaar later wordt Bartus gekozen tot ouderling. Omdat de Eskerk de zorg over de afdeling Wierden heeft, moet Bartus daar ook af en toe voorgaan. Om op tijd te zijn, vertrekt hij meestal al om zeven uur 's morgens te voet vanuit Rijssen. Vaak wordt hij daarbij vergezeld door zijn zoon Gerrit Jan.

Omstreeks 1937 betrekken Bartus en Berendina met hun kinderen de pastorie aan de Bleekstraat. Daar maken ze de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog mee. Zodra Bartus op 10 mei 1940 hoort dat de Duitsers ons land zijn binnengevallen, wekt hij zijn huisgenoten. Onderaan de trap roept hij: 'Kom er maar uit, ons land heeft het verzondigd.' Tijdens de oorlogsjaren raakt Bartus zijn werk kwijt. Om toch inkomsten te genereren, stelt hij zich beschikbaar voor de werkverschaffing.

Eens gebeurt het dat er Duitse soldaten aankloppen. Als Berendina vraagt wat ze komen doen, merken ze op dat ze graag een paar appels zouden willen hebben. Hoewel Berendina het niet zo op de Duitsers begrepen heeft, besluit ze toch enkele appels te geven. 's Zondags staat een van de soldaten echter opnieuw op de stoep. Als hij wordt binnengelaten en even later aan de keukentafel zit, begint hij te vertellen over zijn geboortestad Hamburg. De betreffende soldaat is nog maar achttien jaar oud en heeft last van heimwee. Toen hij enkele dagen geleden met zijn kameraden aan de deur kwam en om een paar appels vroeg, proefde hij de warmte van het gezin en deed hem dit aan thuis denken. Om die reden is hij weer teruggekomen.

Later komt dezelfde soldaat nog eens aan de deur. Dan vraagt hij om een braadpan. Hoewel Berendina eraan twijfelt of ze dat verzoek wel moet inwilligen, besluit ze na enig aandringen van de soldaat haar pan toch mee te geven. Maar ze geeft wel duidelijk te kennen dat ze hem terug moet hebben. 'Anders ga ik naar de Ortscommandant!' zo klinkt het dreigend uit haar mond. Ze begrijpt overigens niet waar de soldaat de braadpan voor nodig heeft. Dat wordt haar de volgende dag pas duidelijk. Dan komt haar namelijk ter ore dat er bij een boer een varken is verdwenen.

Meer berichten




Shopbox