Op een open vuur wordt het eten gekookt en wordt het lekker warm in de boerenwoning.
Op een open vuur wordt het eten gekookt en wordt het lekker warm in de boerenwoning. (Foto: Robert van Kralingen)

De Kléane Koarke 112: 'Ga gij uit uw land en uws vaders huis'

  Historie

door Robert van Kralingen

Naatje is in geestelijk opzicht rijk gezegend. Mede daardoor kan ze goed opluisteren of het echte leven van de Heere in iemand gevonden wordt. Beluistert ze die klanken niet, dan zwijgt ze. Maar proeft ze iets van de ware vreze Gods, dan vertelt ze soms met grote vrijmoedigheid over de wondervolle wegen die de Heere met haar heeft gehouden.

Als Naatje op 9 februari 1882 's morgens wakker wordt, zegt ze tegen Hendrik: 'We zullen vandaag wel samen opstaan, maar vanavond gaan we niet meer samen naar bed. Als de klok twaalf uur heeft geslagen, zal ik sterven.' En zo gebeurt het ook, want 's middags zegt ze opeens tegen Hendrik: 'Ik ga sterven.' Als haar man verslagen opmerkt: 'Och, Naatje, wat moet ik dan met de kinderen?' antwoordt ze: 'De Heere zal wel voor je zorgen.' Enkele ogenblikken later mag ze op 29-jarige leeftijd uit dit leven afreizen naar een beter vaderland, haar man Hendrik en de kinderen Geesken, Gerrit Jan en Bartus in grote droefheid achterlatend. Omdat Bartus nog maar een half jaar oud is, brengt Hendrik hem naar zijn achterneef, Hendrikus Averesch, en zijn vrouw, Hendrika Noltus. Zij zijn de buren van zijn schoonouders en wonen op een boerderij aan de Leiding. Hoewel Hendrika alles voor het jongetje over heeft, overlijdt Bartus ruim een jaar later, slechts zeventien maanden oud.

Op de boerderij van Hendrikus en Hendrika krijgt Hendrik kennis aan Maria Brinkman. Zij is geboren in Den Ham en is de weduwe van Gerrit Hendrik Averesch, een broer van bovengenoemde Hendrikus. Kort nadat ze haar man grafwaarts heeft gedragen, is ze bevallen van haar tweede zoon, Hendrik. Deze wordt echter maar vier maanden oud. Op 21 april 1883 treden Hendrik en Maria met elkaar in het huwelijk. Maria's oudste zoon, Gerrit Hendrik, die op dat moment zes jaar oud is, geeft er de voorkeur aan om bij zijn oom Hendrikus Averesch en tante Hendrika Noltus te blijven wonen. Nadat zij zijn overleden neemt hij zijn intrek bij zijn neef Hendrikus en diens vrouw Maria Meulman, die aan de Holterstraatweg wonen. Deze twee neven worden in de volksmond 'de Bàtskes' genoemd. Ongetwijfeld hebben Hendrik en Maria met elkaar gesproken over de vreze Gods in hun voorgeslacht. Zo weet Maria zich later nog te herinneren dat haar (eerste) schoonvader, Bartus Averesch, een neef van haar twee schoonvader, het leven in Rijssen op zeker moment te goddeloos vond en het niet verantwoord achtte er nog langer te blijven wonen. Juist toen was het of de Heere hem de woorden in het hart legde, die Hij ook tot Abraham sprak: 'Ga gij uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis, naar het land dat Ik u wijzen zal.' Bartus voelde dat hij dit bevel moest opvolgen. Veel bezittingen had hij niet. Eén kruiwagen was voldoende om alles mee te kunnen nemen. Samen met zijn vrouw, Anna Baan, verliet hij zijn woning aan de Bouwstraat, in de overtuiging dat de Heere hem de weg wel zou wijzen. Toen hij op de Ligtenberg op een viersprong kwam, vervolgde hij zijn weg in de richting van Holten en betrok hij een oude schuur aan de Leiding. Omdat het gebied tussen Rijssen en Holten uit heidevelden bestond, bouwde hij daar al spoedig een schaapskooi. Later verbouwde hij dit onderkomen tot boerderij. Het omploegen van de heide en het beboeren van het land aan de Leiding ging hem wonderlijk goed af.

Meer berichten


Shopbox