Vrouwen uit Benthuizen ontmoeten elkaar bij de melkboerkar van J. Smink.
Vrouwen uit Benthuizen ontmoeten elkaar bij de melkboerkar van J. Smink.

De Kléane Koarke 108: 'Aan mijn zijde was het onmogelijk'

  Historie

door Robert van Kralingen

Ook over zijn roeping tot het predikambt heeft ds. Bregman het een en ander opgetekend. 'Nadat Christus Zich in mijn ziel geopenbaard had, waren met kracht die woorden in mijn ziel gekomen: Ik zal u stellen als een wachter op de muren van Jeruzalem, dit naar aanleiding van Jesaja 62:6: 'O Jeruzalem, Ik heb wachters op uw muren besteld, die geduriglijk al den dag en al den nacht niet zullen zwijgen. O gij, die des Heeren doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen.'

Zou dat ooit gebeuren? Ik was onontwikkeld en niet geleerd. Aan mijn zijde was het onmogelijk, maar al zou het nog twaalf jaar duren, na veel worstelingen en strijd zou de Heere op Zijn tijd Zijn Woord in vervulling doen gaan.' In 1948 heeft de kerkenraad nog geen vrijmoedigheid om hem een attest te verlenen voor het Curatorium. Wel dient hij de gemeente vanaf 1954 in het ambt van diaken. Vier jaar later volgt zijn verkiezing tot ouderling.

Ook het ouderlingschap brengt de nodige strijd met zich mee. ''k Heb het vroeger eens gehad, toen ik nog ouderling was in Benthuizen, dat een binnenprater op zaterdagavond zei: Je moet morgenavond na het lezen van de preek als ouderling bedanken. Dan kunnen de broeders toch niets zeggen. Met dat stellige voornemen ben ik de preekstoel opgegaan. Onderaan de trap stond ik dus te huichelen, alsof ik stond te bidden of de Heere me wilde helpen, maar met in mijn hart het voornemen om te bedanken. Maar tijdens het zingen voor de toepassing liet de Heere me even de gemeente zien, met de jeugd, die arme kinderen, dat arme volk, op reis naar de grote eeuwigheid. Het was alsof Hij me vroeg of ik me er dan niet voor over had om onder dat volk in liefde die enige Weg ter zaligheid aan te wijzen. Nu, dan teken je weer van harte bij.' Als Bregman de jaarlijkse oproep van het Curatorium in 'De Saambinder' leest, ontbrandt er een vuur in zijn ziel om Gods Woord te mogen uitdragen. Bij ogenblikken is het voor hem echter onmogelijk om daar gevolg aan te geven.

Toch maakt de Heere hem gewillig. 'Het was alsof de Heere me als een vader bij de hand vatte en zei: Kind, luister eens, nu mag je al wat jaren Mijn ambtsdrager zijn en heeft het je ooit aan iets ontbroken? Heb Ik je niet altijd doorgeholpen? Hierop antwoordde ik als een kind zijn vader: Heere, U bent altijd goed voor mij geweest, ook toen ik als ouderling soms moedeloos was, als ik 's avonds na het huisbezoek naar huis ging. Dan zei ik wel eens tegen de Heere: Heere, ik ga niet meer. Het is alsof ik tegen een muur praat.

Zaak van de Koning
Maar dan was het in mijn ziel: Of ze het horen zullen of niet horen zullen, gij zult van Mijn wegen getuigen.Toen heb ik gezegd: Heere, ik zal weer gaan. Nu beloofde ik de Heere, dat ik de broeders van de kerkenraad zou vertellen waarmee ik liep.' Nadat Bregman tijdens een kerkenraadsvergadering verslag heeft gedaan van wat er in zijn hart omgaat, krijgt hij een attest. 'De nacht voor de dag dat het Curatorium zitting had, kwam de Heere over. Hij maakte me bekend dat het niet mijn zaak was, maar dat het een zaak van de Koning was. De Heere beloofde, dat Hij geen van de woorden die Hij tot mijn ziel had gesproken, op de aarde zou laten vallen.' Op 28 juni 1960 wordt hij toegelaten tot het volgen van de lessen op de Theologische School te Rotterdam.

Reageer als eerste
Meer berichten


Shopbox