Interieur Hervormde Kerk van Putten.
Interieur Hervormde Kerk van Putten. (Foto: Robert van Kralingen)

De Kléane Koarke 90: 'We waren er zeer bedroefd onder'

door Robert van Kralingen

Als het gezin Van Haaren tijdens de Tweede Wereldoorlog regelmatig het huis moet verlaten om elders een schuilplaats te zoeken, neemt Jan telkens de Statenbijbel mee! De liefde voor Gods Woord is dan al duidelijk. Midden van alle angst en gevaar mag hij tijdens de oorlogsjaren meermalen troost putten uit Psalm 91:1: 'Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.'

Als Jans oudste zuster verkering krijgt met Jan Wisse Kersten, een zoon van ds. G.H. Kersten, mag hij regelmatig met haar mee naar de pastorie. Ds. Kersten neemt hem dan wel eens mee naar de studeerkamer. Later getuigt hij er dikwijls van dat hij, bij ds. Kersten op de trap zittend, het preken heeft geleerd. Ds. Kersten is er namelijk van 's hemelswege bij bepaald geworden, dat Jan later ook als arbeider in Gods wijngaard werkzaam zal zijn. De vele lessen van ds. Kersten zijn hem zijn hele leven bijgebleven. Om gezondheidsredenen verhuist het gezin in 1946 van Rotterdam naar Putten. Nadat Jan hier de lagere school heeft afgemaakt, gaat hij naar de 'opleidingsklas' voor het Christelijk Lyceum in Harderwijk. Na met goed gevolg het toelatingsexamen te hebben afgelegd, volgt hij in Harderwijk de opleiding gymnasium alfa. Kerkelijk is het gezin aangesloten bij de Gereformeerde Gemeente te Barneveld. Omdat er 's zondags geen vervoermiddelen zijn, kerkt men in die tijd ook regelmatig in de plaatselijke Nederlandse Hervormde Kerk, bij ds. G. Boer, ds. Jac. van Dijk en ds. L. Kievit.

Het overlijden van ds. G.H. Kersten, op 6 september 1948, maakt diepe indruk op Jan. Met jaloersheid staart hij zijn vaderlijke vriend na. Samen met zijn ouders woont hij de begrafenis bij. Hij schrijft: 'We waren er zeer bedroefd onder. Want een grote is in Israël begraven. Hij was een Comrie en een Brakel en nu is hij niet meer. De aarde is een groot voorbidder verloren. Maar nu is hij Boven en mag de mooie kroon aan de voeten van de Heere leggen.' In zijn Puttense jaren vindt er ook een verdieping van het geestelijke leven plaats. Hij kan voor God niet bestaan. Met al zijn ervaringen en gevoelens wordt hij aan een eind gebracht. Enkele jaren later schrijft hij in een brief aan ds. H. Ligtenberg sr.: 'Schuld kende ik niet, wel smart. En dat gemis woog mij zwaarder dan mijn zonden. Maar dat werd anders. De Heere had ik gezocht met tranen en hoopte langs die weg de vrede te verkrijgen en bij Hem aangenomen te worden. Maar het ging niet; slecht werd ik in de ervaring van mijn hart. Mijn zonden werden levendig, mijn tedere hart - dat ik de Heere aanbood - werd stug en ongevoelig. Ik ging mij ergeren aan alles, vooral aan die terugtrekkingen van Gods liefde. Als God dan niet wilde, dan kon ik er ook niets aan doen. Dan maar voortleven! Maar dat ging al helemaal niet. Ik werd ongelukkig en verfoeilijk voor Gods aangezicht. Al mijn werkzaamheden waren op niets uitgelopen; ik had schuld met schuld vermeerderd.

Meer berichten




Shopbox